Halverwege de herfst gooide ik de werkhanddoek in de ring en nu zijn we alweer halverwege de winter. De tijd raast voorbij, al lijken herfst en winter wel erg op elkaar dit jaar. Mijn gemoed lijkt echter in niets op het vorige jaargetijde. Mijn burn-out seizoen groeit langzaam naar het voorjaar toe. In mijn hoofd is het langer licht, mijn energieniveau stijgt naar zonniger temperaturen en tijdens de fietstochten naar mijn werk voel ik vaker een zachte lentebries in de rug. Dus de betere seizoenen komen eraan!Verder lezen…
Geef een storm een naam en hij mag er zijn. Een beetje zoals het label waar ik zo naar op zoek was. Heeft iets een naam dan is het van formaat, heeft iets een naam dan verdient het serieuze aandacht. Net als Ciara, de storm die Nederland in haar greep houdt. Zoals het stormt in het land, zo stormt het soms ook in mijn hoofd. Allerlei gedachten die over elkaar heen buitelen en strijden om de prijs voor de hardste windstoot, de meest onverwachte windvlaag die je van je fietst afblaast.


“Hij ligt daar in dat veld tussen al die duizenden lampionnen, ik weet het zeker!” Hij is in dit geval mijn fietssleutel en deze blinde paniekreactie is een typisch gevalletje burn-out.

(Deze muur is onderdeel van werk van Barbara Kruger in het Stedelijk Museum)
Vanmorgen zat ik klaar om een nieuw verhaal te schrijven. Het is tenslotte woensdag en elke twee weken post ik dan een blog. Er kwam alleen niets uit mijn vingers. Geen inspiratie, geen onderwerp. Was het leven de laatste weken zo op de automatische piloot aan me voorbijgetrokken, dat ik niets kon bedenken?
Vrijdagochtend half 10 stond ik binnen in een must see feestzaal in Berlijn. Eigenlijk een must do feestzaal, maar bij gebrek aan tijd werd het een must see. De geur van verschraald bier en tien jaar oude sigarettenrook walmde me tegemoet. Geen geur waar je te lang in wilt blijven hangen, maar wel een geur die een stroom aan herinneringen op gang bracht. Het zette me terug in de feesttent op het Starteiland tijdens de Sneekweek. Met mijn nieuwe, gele suède gympen aan stond ik daar het leven te vieren met mijn vriendinnen. Die gele gympen werden zwart, maar de herinnering blijkt zo kleurrijk (of aromatisch) te zijn dat ik ‘m aan de geur kan ophalen.
“Waarom wil jij eigenlijk niet in het oranje naar school? Iedereen mag in het oranje gekleed voor de Koningsspelen.”
Op een doorsnee maandagochtend fiets ik de vaste route naar mijn werk. Ik zigzag tussen krioelende fietsende pubers door, sorteer strategisch voor bij het stoplicht en voer het tempo doorgaans nog eens op. Niks anders dan anders, maar gaandeweg de tocht lijkt het alsof er geluiden wegvallen en mijn oren gefocust raken. Gek eigenlijk want het is vooral een grote bak herrie zo ‘s ochtends tijdens het spitsuur in de stad.
Ze zijn weer begonnen, de zondagochtenden langs de tennisbaan. En ook nu heb ik me voorgenomen om me nergens mee te bemoeien, niet langs de kant te staan roepen en vooral rustig koffie te drinken samen met de andere ouders. Een nobel streven maar in een competitie waar de kinderen zelf de stand bijhouden en beoordelen of een bal in of juist uit is, ontwaakt al snel de straatvechter in mij.